Kauri
V.O.C.
V.O.C
Tussen 1650 en 1790 werd dit schelpgeld door de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) in enorme hoeveelheden naar Nederland gebracht, om daar doorverkocht te worden aan de West-Indische Compagnie (WIC), die ermee in Angola en Guinee slaven aankochten voor de plantages, o.a.in Suriname. De hoeveelheden schelpen door de VOC verscheept zijn gigantisch; zo‘n 6,7 miljard kauri’s! Vanuit de Maladiven bestond deze scheepvaarthandel op India, al eeuwen. In 1981 exporteerden ze 42 ton kauri's.
Herkomst
Om de kauri’s te verzamelen maakten de bewoners vroeger bundels van kokospalmtakken. Na verloop van tijd zaten hier de slakken in trossen op. Zo’n bundel werd dan aan land getrokken en de dieren eraf gehaald, waar ze twee maanden begraven bleven tot al het vlees was vergaan. De schelpen stonken dan niet en waren nog vol glans. Vervolgens werden ze met zeewater gewassen, door ze in een halve kokosnootbast rond te draaien, gedroogd en gesorteerd. De kauri’s werden ze geruild voor rijst, boter en kleding. Deze producten werden door schepen aangevoerd uit Balasore, vlak bij Bengalen.
Stranding
In 1738 voer het fregat “Reigersbroek” met twee andere retourschepen vanaf Ceylon naar huis, allen hadden kauri’s aan boord. Het fregat kwam in moeilijkheden op de banken van de Ooster Rassen en werd om half 7 ‘s avonds op de dijk van Westkapelle geworpen, waarna het door wind en golven aan stukken werd gebeukt. De schipper en vijftig van zijn mensen vonden de dood. Van de kostbare lading worden af en toe langs de Noordzeekust nog kauri’s gevonden. Loes heeft er één gevonden op het Egmond-Binnen strand.
Bronvermelding: Geïllustreerde schelpen encyclopedie - H.R. de Bruyne, Tijdschrift voor Econ. en Soc. Geogr. 49 ste jaargang nr.12 December 1958 Basteria, 57:115-124,1993
Dit schelpje heeft een grote geschiedenis op zijn naam staan, overal ter wereld komt het voor; de kauri werd gebruikt als versiering op paardetuigen in West-Europa, hij is te vinden op de kleding van de Siberische sjamaan, op heksenbezems van Surinaamse negers, en o.a. als geldstuk in grote delen van Afrika.
Over dit laatste onderwerp gaan we verder. Dat het gebruik van kauri’s als betaalmiddel reeds van oude datum is, bewijst wel de soortnaam moneta, die Linnaeus in 1758 aan deze meest gangbare schelpmunt gaf. De oudste verwijzing van schelpgeld in de Chinese literatuur dateert uit de 14e eeuw v. Chr.
Kauri’s werden al zeker sinds de 4e eeuw, samen met zout en koper, in West-Afrika ingevoerd vanuit Egypte via de karavaanwegen door de Sahara, waar ze langs de gehele route de voornaamste geldsoort vormden. De schelpen werden vervoerd in zakken van schapenhuid. Eén kameel vervoerde ongeveer 240.000 schelpen. In West-Afrika betekende het bezit van kauri’s kapitaal, macht en aanzien. In 1887 betaalde men in Mali voor 2,5 kg rijst 100 kauri’s, een schaap koste 5000 kauri’s. De prijs van een slaaf, afhankelijk van leeftijd, geslacht en gezondheid, varieerde tussen 10.000 kauri’s in 1680 en 176.000 in 1770. De stijgende prijs had te maken met de steeds verdere aanvoer uit het binnenland.
De kauri
Het woord kauri (Eng. cowry, cowrie; Fr.caury, cory; D. kauri; Arab. Kauda) is overgenomen uit het Hindi en afgeleid uit het sanskriet “Kaparda”, hetgeen schelp betekent. In sommige oude bronnen komt de aanduiding bugi, bougy, boesje, afkomstig van het Portugese búzio, voor. Weinigen zullen de betekenis van het nederlandse woord “klipkous” kennen, maar bij schelpen-verzamelaars waren deze schelpen, die tegenwoordig porceleinslakken of kauri’s worden genaamd, zeer populair.
De naam porselein is afkomstig van deze slakken. Vanwege hun ronde vorm noemde men de slakken “porcellana” in het latijn porcella = klein varken. Toen men het glanzende chinese porcelein voor het eerst in Europa zag, dacht men dat het van deze slakjes gemaakt was!