Legende
Handel
Phoenicieërs
De purperslak en de Tyreense verfindustrie
De kleurstof uit een kliertje, in het lichaam van de purperslak, moest uit een levende slak gehaald worden, wilde men de helderste kleuren ontwikkelen. Elke klier leverde slechts één of twee druppels geelachtige vloeistof op die donkerder werd als ze aan zon en lucht werden blootgesteld. De verwerking vereiste bijna twee weken achtereen voortdurend pruttelen in een pan in de buitenlucht, in welke tijd de kostbare vloeistof inkookte tot ongeveer een zestiende van het oorspronkelijke volume.
Op deze wijze waren de klieren van ongeveer 60.000 slakken nodig om bijna een pond verf te produceren, wat verklaart waarom het extract zo ontzettend duur was. Een deskundige heeft in 2001 berekend, dat een enkel pond zijde van fijne kwaliteit, geverfd volgens de hoogste Tyreense maatstaven, in die tijd 30.000 euro zou hebben opgebracht.
De beste ververs verrichtten al hun bewerkingen in loden of tinnen pannen, omdat zij wisten dat koper of ijzer het extract zouden doen verkleuren.
Zij gebruikten voornamelijk twee soorten purperslakken. Brandaris alleen bracht een zware donkere tint aan de stof en er moest alleen de juiste hoeveelheid trunculus aan toegevoegd worden plus een zorgvuldig gecontroleerd dubbel-drenken met verfstof van een derde slak -geen purperslak- om het luisterrijke koninklijke purper te verkrijgen dat men zo gretig verlangde.
Andere kleurschakeringen afnemend tot bleekpaars, getoond op de gegradueerde achtergrond hiertegenover werden bereikt door het mengsel en de duur van blootstelling aan het licht te varieên.
Alle Tyreense purperverven verbleekten niet. Er was een tijd, toen de macht en het prestige van Rome begonnen te groeien, dat elke rijke burger, “purper" kon dragen, een smalle band om zijn toga. Later werd dit privilege gereserveerd voor Senatoren en tenslotte voor de keizer alleen. Naar verluidt hadden Anthonius en Cleopatra een oorlogschip dat berucht was om zijn uiterlijke praal: Het grootzeil was gekleurd met Tyreense purperverf.
Purperslak verven werd beoefend op verschillende plaatsen in het Middellandse Zeegebied, met inbegrip van de eilanden Malta en Motya, maar nergens bereikte men de vaardigheid van de Tyreense en Sidonische ververs. Van hun enorme productiviteit getuigen de hopen schelpen - letterlijk miljoenen- die nog liggen opgestapeld rond de oude verffabrieken. Zowel in Tyrus als in Sidon lagen de werkplaatsen in het zuiden, net buiten de stad en tegen de windrichting om de verschrikkelijke stank die opsteeg uit de rottende lichamen van de mollusken.
Via vele ups en downs zette de verfindustrie zich voort, overleefde zelfs de val van Tyrus en worstelde verder tot 800 A.D., toen Karel de Grote in Tyrus geverfde textiel invoerde. Daarna verdween de industrie vanwege de hoge kosten. Goedkope, kleurechte aniline verfstoffen zorgen ervoor dat zij nooit weer zal opleven.
Volgens de legende wandelde de Tyreense god Melqart op een dag langs de zeekust met zijn geliefde, een nimf die Tyrus heette, toen een hond die met hen meeliep een purperslak oppakte en die in tweeën beet.
De bek van de hond werd onmiddellijk diep karmozijnrood en Tyrus die de prachtige kleur bewonderde, kondigde Melqart aan dat zij hem niet als minnaar zou aanvaarden voor hij haar een kleed van dezelfde tint zou geven. Waarop Melqart een grote hoeveelheid schelpen verzamelde en de Tyreense verfindustrie was geboren.
Een heerlijke legende en wellicht gebaseerd op het feit dat vroege ververs ontdekten hoe zij hun kleuren konden maken doordat zij de gekleurde mond opmerkten van mensen die purperslakken aten. In elk geval waren Tyrus en Sidon in 1000 v. Chr. de centra geworden voor geverfde wol en zijde van een kwaliteit die in de gehele oude wereld niet werd overtroffen.
Legende